Een kleine reus en een grote dwerg
Reuzen waren nu eenmaal zo: ze waren een wild en gevaarlijk stel, en je kon ze maar beter mijden. Aan de andere kant had het hebben van een reus ook zo zijn voordelen. Je kon hem inhuren voor bouwwerkzaamheden, waardoor je de kosten van een kraan bespaarde. Of je kon hem rekruteren voor militaire dienst; alleen al zijn aanwezigheid op het slagveld was genoeg om complete regimenten op de vlucht te jagen.
Dies geschah allerdings nicht oft. Leider waren Riesen nicht sehr zugänglich oder kooperativ, und Geld und Gold bedeuteten ihnen wenig. Sie blieben lieber unter sich, oben im hohen Norden, wo sie im Gebirge lebten, natürlich im Hochgebirge, wie es sich für Riesen gehört. Selten stiegen sie hinab in die Täler, wofür die dortige Bevölkerung dankbar war.
Es gab nicht allzu viele Riesen. Keiner hatte sie jemals gezählt, sie selbst schon gar nicht, denn zählen konnten sie genau so wenig wie lesen. Mehr als ein paar hundert dürften sie zu keinem Zeitpunkt gewesen sein. Die Vermehrung war nicht ihre Spezialität. Fand sie ab und an statt, kündeten in den Tälern Bergstürze und Gerölllawinen von klobigem Liebesspiel.
Er waren dus niet alleen weinig reuzen, maar vooral ook heel weinig reuzenkinderen. Een van hen was Trako, die 'de Snelkoppeling' werd genoemd. Hij bezorgde zijn ouders veel verdriet omdat hij maar niet wilde groeien. Dit was vooral gênant voor zijn vader, die aan het hoofd stond van de grootste reuzenclan. Hoewel zijn zoon al veertien jaar oud was, had hij slechts een schamele lengte van vier meter bereikt. Dat was niets voor een jonge reus, en daarom was Trako een erg eenzaam kind met bijna geen speelkameraden.
Sein einziger Freund war Mitschin, der Zwerg. Wo es Riesen gibt, gibt es natürlich auch Zwerge. Mitschin war ein recht großgewachsener Zwerg, was ihn unter seinesgleichen zu einem ähnlichen Sonderfall machte wie Trako in Riesenkreisen, nur unter umgekehrten Vorzeichen. Mit seinen 1,20 Metern überragte der halbwüchsige Mitschin erwachsene Zwerge bereits um Haupteslänge, und seine Eltern kämpften anders als die Trakos mit dem Problem, dass ihr Sohn einfach nicht aufhören wollte zu wachsen.
Trako en Mitschin waren even oud, maar hun gedeelde groeiprobleem en de daaruit voortvloeiende status als buitenstaanders smeedden hen tot een team. Ook dit was ongebruikelijk, aangezien reuzen en dwergen doorgaans weinig met elkaar te maken hadden. Vooral de dwergen vermeden de reuzen, die een zeer slecht gezichtsvermogen hadden. De reuzen zagen nauwelijks wat er aan hun voeten gebeurde en hadden daardoor menig arme dwerg vertrapt. De dwergen woonden niet in de hoge bergen, maar in de dichte bossen van het noorden. Toch waagden ze zich vaak in de bergen om hun gevaarlijke beroep uit te oefenen: het delven van ertsen en edelmetalen in grotten en rotsspleten, een beroep dat door de reuzen nog gevaarlijker werd.
Trako en Mitschin zaten op die prachtige zomerdag op hun favoriete plek, een plateau halverwege de vallei, net boven de boomgrens. Er was schaduw en een goed uitzicht op verschillende berghellingen. Mitschin leunde tegen Trako's dij, strekte zijn benen uit en bekeek zijn blote tenen. "Ik denk dat ik weer gegroeid ben," merkte hij op. "Echt?" antwoordde Trako. "Ik ben al blij als ik niet krimp."
„Ach, Großer“, sagte Mitschin und wollte noch etwas hinzufügen, kam aber nicht mehr dazu. Plötzlich erfüllte ein Sirren die Luft, dazu viel Geschrei und Gefluche, das aus den Büschen hinter ihnen drang. Mitschin rollte sich panisch beiseite, als er seinen Freund weit über sich nach Luft ringen hörte. Aus dem Hinterhalt geworfene Seile hatten sich um Trakos Hals und Oberkörper gelegt; schon tauchten Bewaffnete aus dem Unterholz auf und zogen kräftig an ihren Lassos, den röchelnden Riesen zu sich ziehend.
Mitschin besefte dat hij geen schijn van kans had om zijn vriend te helpen, die vlak voor zijn ogen werd ontvoerd. De dwerg dook het hoge gras in, in de hoop dat hij, ondanks zijn aanzienlijke dwergachtige gestalte, niet opgemerkt zou worden. Maar de schurken, die zijn metgezel inmiddels naar zich toe hadden gesleept en hem vakkundig hadden vastgebonden, schonken de dwerg geen enkele aandacht, iets waar dwergen wel aan gewend zijn. Met hun gezamenlijke kracht laadden de schurken de worstelende Trako op een extra lange kar, bedoeld voor het vervoer van boomstammen, die ze vervolgens wegduwden.
Mitschin war nun allein, so allein wie noch nie in seinem Leben.
Schwester Ignatia
Abdis Canard Latroisse was niet bepaald enthousiast over de nieuwste aanwinst in haar klooster. De hertog van Laballe had weliswaar een aanzienlijke donatie gedaan om zijn dochter Claudine als novice toe te laten. Dat zou voldoende zijn om de grote klok, waarvan de ophanging in de toren al jaren aan reparatie toe was, weer in gebruik te nemen.
Auch das vom Königlichen Alchimisten, Kriegsingenieur, Skulptor und Maler Manacardi angefertigte Fresko im Refektorium, wo die Nonnen ihre Speisen zu sich nahmen, würde generalüberholt werden können. Manacardi hatte es wie immer mit großem Pomp und Versprechungen begonnen, war dann mit der Arbeit in Rückstand geraten, hatte den Untergrund nicht mehr richtig bearbeitet und ein zwar wunderschönes, aber stetig abblätterndes Kleisterwerk hinterlassen, an dem ständig herumrepariert werden musste.
In de rechterbenedenhoek van de vier bij negen meter grote afbeelding van het Laatste Oordeel had hij zichzelf vereeuwigd met een grote, zwierige handtekening (die overigens als eerste vervaagde). Daarboven gaapte een volledig witte rechthoek, waar gewoonlijk het menu werd weergegeven. Menig beginnende eter verloor haar eetlust toen ze van haar bord opkeek naar de chaos van draken, demonen en helse wezens die Manacardi op de muur had geprojecteerd.
De jongste novice, Claudine de Laballe, was tegen haar wil een kuise bruid van Jezus Christus geworden, en de abdis was hiervan terdege op de hoogte. Zulke dingen gebeurden en waren geen uitzonderingen. Elke nieuwe dienaar van de Heer, zelfs die uit de hoogste adellijke kringen, had tot dan toe haar plaats in de goddelijke orde gekregen door middel van keukentaken, vloerschrobben en tuinieren.
Claudine allerdings war ein besonderer Fall. Bei ihrer Ankunft im Kloster war sie mit einer Kutsche und zwei weiteren Pferdegespannen vorgefahren. Einer der Wagen enthielt ausschließlich ihre Hutschachteln, der andere ihre Garderobe.
Nachdem man die Aspirantin auf die spirituelle Vermählung mit dem Erlöser darauf hingewiesen hatte, dass sie außer Ordenstracht und dem einen oder anderen härenen Gewand im Kloster keinerlei Haute Couture zu erwarten hatte, war der ganze Plunder einem Autodafe zum Opfer gefallen, einem reinigenden Feuer, dem Claudine zeternd und weinend zusah – nachdem man sie an einen Baum binden musste. Sie schrie: „So werdet ihr bald alle brennen, Höllenbrut!“
De situatie voor de nieuwste protegé van de abdis was sindsdien niet veel verbeterd. De abdis vouwde met een zucht het briefje open dat de novice, die nu in strikte eenzame opsluiting op brood en water in haar karige cel zat, onder de deur had geschoven:
"Ik krijg jullie allemaal. Allemaal. Jullie zijn rattenvoer. Mijn wraak zal verschrikkelijk zijn." Een ware tirade. De abdis zuchtte. Waar was ze in hemelsnaam in terechtgekomen?
Währenddessen lag Claudine auf ihrer harten Pritsche und träumte von den weichen Pfühlen ihres Schlafgemachs im väterlichen Palast. Deren Komfort hatte dort jeden Abend durch Lagerung einer Erbse unter der Matratze überprüft zu werden. Es gab eine Magd, die nur dafür zuständig war. Wenn die Bettzeit nahte, schüttelte sie Linnen und Decken auf, verbarg jedes Mal an einer anderen Stelle die Erbse und harrte darauf, dass die Comtesse sich betten und ihr Einverständnis zum einwandfreien Zustand ihrer Schlafstatt geben würde.
Claudine streelde de gouden appel die ze had gevonden tijdens de zoektocht naar een bruid in het koninklijk paleis, waarvan ze nog steeds dacht dat ze die nooit zou opgeven. Ze had hem tenminste bewaard. Ze zou ook haar eigen veiligheid garanderen, dat was zeker. En zoals ik al zei: haar wraak zou verschrikkelijk zijn. Op de abdis. Op haar vader. Op haar broer. Op iedereen. En snel.
Claudine was arrogant, wraakzuchtig en gewetenloos. Wat haar ontbrak, was een plan. In haar kluizenarij bladerde ze door de Bijbel. "Wraak is van Mij; Ik zal vergelden, zegt de Heer," las ze. Dat beviel haar. Ze las ook: "Zijn toorn brandt als vuur, en de rotsen verbrijzelen voor Hem." Dat beviel haar nóg meer.
Claudine de Laballe had al veel te veel vloeren in dat vervloekte klooster moeten schrobben, ver beneden haar stand, en ze ook nog moeten vegen. Ze wist waar de bezems van takken bij de schuur stonden. Het was tijd voor het vagevuur.
Geen enkele non overleefde de grote brand in het klooster van de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis. Eén non werd permanent vermist: Zuster Claudine. Haar aangenomen kloosternaam was Ignatia.
De gigantische staf faalt
Na de ontvoering van Trako werd de Reuzenstaf onmiddellijk bijeengeroepen. Mitschin, de enige ooggetuige en iemand die niet hoog aanzien genoot in deze kring, bevond zich op de verzamelplaats omringd door de dorpsoudste en zijn metgezellen (in de reuzengemeenschappen waren er geen dorpsoudsten, aangezien sociale status werd gemeten aan de hand van lengte, niet leeftijd) en er werd van hem verwacht dat hij verslag uitbracht. Hij voelde zich nogal – nou ja, je weet wel – als een Mitschin.
Mitschin war mit Nackenstarre kaum in der Lage zu erkennen, mit welch abschätzigen Mienen man ihn von oben herab betrachtete, aber er konnte es sich vorstellen. Im Zwergenvolk hieß es seit Anbeginn seines Bestehens: Fällst du unter die Riesen, achte auf ihre Füße, nicht auf ihr Gesicht.
Trako's vader, Turmo de Vertrapper, had grote moeite gehad om de dwerg zelfs maar aan het spreken te krijgen in de kring van reuzen. De terughoudendheid ten opzichte van dwergen onder de reuzen was, zoals men zich moet realiseren, net zo groot als de reuzen zelf.
Reuzen en dwergen waren nauwer verwant dan beide rassen wilden toegeven. In de nevelen der tijd stamden ze beiden af van gemeenschappelijke voorouders: de kleine, opschepperige types en de luidruchtige simpele zielen, die destijds tot één enkele, al snel uiteengevallen, clan behoorden. Maar dat is een ander verhaal.
Mitschin zei: "Trako is ontvoerd, snel en volgens een plan."
Schmacko de Verpletteraar zei: "Wat zegt hij?" en boog zich voorover naar de dwerg.
Mitschin brüllte: „Ich sage, es handelt sich wahrscheinlich um eine Geiselnahme. Eine Riesensauerei.“
'Heeft de kleine überhaupt iets te zeggen?' vroeg Bertram de Breker, terwijl hij in een overdreven rechtopstaande houding bleef zitten.
Mitschin zuchtte. Hij had altijd geweten dat het nog vele generaties zou duren voordat politiek correcte, consistent op grootte gebaseerde communicatie tussen dwergen en reuzen mogelijk zou zijn.
Maar Mitschin was een grote dwerg, hoe nederig hij ook leek voor de reuzen. Zijn grootste troef was zijn scherpe tong.
„HALLO! AUFWACHEN! ZUHÖREN!“, schrie er.
Krach de Kraakster draaide zich verbaasd om naar zijn buurman, Umo de Sloper. "Ik denk dat de kleine iets zei."
Dit ging een uur lang zo door. Turmo de Vertrapper keek bezorgd, maar niemand van het reusachtige personeel nam de moeite om de situatie met de nogal lange dwerg te bespreken. Het was hoe dan ook duidelijk: Trako was verdwenen, en iemand moest de schuldige zijn.
Die naheliegende Antwort darauf lautete für die Riesen wie immer: Die Zwerge steckten dahinter. Zufällig war gerade einer anwesend.
De situatie werd dreigend voor Mitschin. Toen keerde het zoekteam dat eropuit was gestuurd om Trako te vinden terug. Ze hadden de vermiste man niet gevonden, maar wel een ontdekking gedaan.
Stelzer de Sterke overhandigde Turmo de Vertrapper een document. Nou ja, een stuk papier. Het woord 'document' bestond niet in hun vocabulaire, aangezien ze niet konden lezen of schrijven.
Turmo draaide het papier onzeker in zijn handen om. Mitschin eiste het op.
"Mag ik?"
Wat voor Turmo slechts een stukje papier was, viel op de dwerg en bedekte hem bijna volledig. De ontvoerders hadden bedacht om hun losgeldbrief in gigantisch formaat te schrijven – DIN A4-Giga. Blijkbaar wisten ze niet dat reuzen alleen papier gebruiken om hun billen af te vegen.
Mitschin spreidde de ambassade, die voor hem toegankelijk was, uit en las hardop voor:
"Reuzen! Groeten vanuit de zalen van het machtige Duc de Laballe!"
Let op: Er is oorlog gaande. Een totale oorlog vereist bepaalde maatregelen. Dit omvat uw deelname aan een speciale militaire operatie. Om uw patriottische medewerking te garanderen, hebben we uw troonopvolger in hechtenis genomen. Hem zal geen kwaad worden gedaan zolang u uw patriottische plicht vervult.
"Troonopvolger? Bah! Sinds wanneer is er hier een troonopvolger?" Bertram de Breker kwam dichter bij Turmo de Vertrapper en keek hem strak aan. "Niet jouw Gebroken, de Halfdwerg, toch? Voor zover ik weet, kiezen we onze dorpsleider nog steeds zelf."
Betram rechnete sich seit Langem Chancen aus, Turmo abzulösen. Einige seiner Gefolgsleute scharten sich um ihn und brachten mit Schwingen ihrer Keulen demokratische Gesinnung zum Ausdruck.
Mitschin probeerde zijn stem te laten horen. "Kunnen we de grondwetsbesprekingen uitstellen naar een later tijdstip?", vroeg hij.
"Zei hij iets?" vroeg Schmacko de Verpletteraar.
'Luister,' riep Mitschin en las verder:
"We eisen een gigantisch leger van 50 strijders om de vijandelijke Manacardi-linie te verslaan. Na de uiteindelijke overwinning zullen we Trako ongedeerd vrijlaten. De reuzen zullen de status van gigantische helden bereiken in het nieuwe Laballe-rijk en van vele privileges kunnen genieten."
Mitschin schluckte und verschwieg den letzten Satz:
"Wij garanderen uiteraard ook de uitroeiing van alle dwergen."
In de kerker van de Laballes
Een vier meter lange gevangene, hoe stevig ook vastgeketend, dwong respect af van de cipiers van de Laballes. Ze betraden Trako's kerker altijd in groepjes van drie, met getrokken zwaarden.
De reus had echter op dat moment geen zin in verzet; hij was erbarmelijk aan toe. Zijn huid zat onder schaafwonden en kleine wondjes die begonnen te etteren. Omdat hij voor een reus uitzonderlijk intelligent was, leed hij ook aan een kwaal die zijn familieleden nooit had getroffen: een hersenschudding. Laballe's handlangers hadden hem flink met knuppels op zijn hoofd geslagen toen ze hem ontvoerden.
Trako was verdwaasd, zijn hoofd gebogen. Zijn eerste enigszins coherente gedachte ging uit naar zijn vriend Mitschin. Hadden ze hem ook te pakken gekregen? Zat hij weg te kwijnen in een kerker hiernaast? Of was hij misschien wel dood?
De tranen stroomden over Trako's wangen, want hij was een gevoelige reus. Heel gevoelig zelfs, vandaar dat er zich al snel een plasje vormde aan zijn vastgeketende voeten. Normaal gesproken zou je de gevangene een zielig figuur noemen. Maar gezien zijn omvang was hij eerder een aanzienlijke hoop ellende.
Henri de Laballe zat op een veilige afstand van de reus op een houten klapstoel te wachten met een glimlach die zowel zelfvoldaan als minachtend was, tot Trako geschikt was voor ondervraging. Normaal gesproken zou Henri zijn eigen, zeer specifieke methoden hebben gebruikt om hem daarbij te helpen, maar zijn vader had hem opgedragen de gevangene met zoveel mogelijk zorg te behandelen. Trako vertegenwoordigde immers waardevolle buit met een hoge marktwaarde.
Trako hief zijn hoofd op. Laballe stak op zijn beurt zijn hand op en gebaarde zijn lijfwachten hun getrokken zwaarden op de keel van de reus te richten. "Welkom in de gastenvleugel van ons kasteel. Ik hoop dat de accommodatie naar wens is. Kun je me horen, kleine reus?"
De gevangene keek zijn bewaker aan. Hij vond het niet leuk wat hij zag. Trako was misschien gevoelig, maar hij was geen lafaard. "Waar is Mitschin?" gromde hij.
"Mitschin?" Henri de Laballe staarde peinzend naar het plafond van de kerker. "Ah, dat is het ratje dat bij je was, neem ik aan? Het wordt – laten we zeggen – in een kooi gehouden, zoals het zijn soort betaamt. Een kooi die boven onze beerput hangt. Wat zou je ervan vinden als we hem wat lager zouden hangen?"
Een beetje bluffen kon nooit kwaad. Bovendien was het leuk om de angst in de ogen van de reus te zien oplichten.
Trako trok aan zijn kettingen. Hij was met zijn polsen en enkels aan de kerkerwand geketend, maar de ankers voor de boeien waren ontworpen voor gevangenen met een gemiddelde kracht. Om hen heen begon het metselwerk af te brokkelen.
Laballe sprong op en trok zich, voor de zekerheid, terug naar de open kerkerdeur. Daarbij trapte hij op de voeten van zijn dappere lijfwacht, die probeerde te ontsnappen.
"Idioten!" schreeuwde hij tegen hen. "Maakt die huilbaby jullie bang? Jullie zouden voor mij bang moeten zijn! Snel, haal de cipier met meer kettingen! En breng wat cement! En mijn zweep ook!" Weg met zijn oude meester, die slappeling – nu zou Henri zijn eigen methoden gebruiken.
Im Wald – mit einer alten Feindin
De bijeenkomst van de reuzen was geëindigd in de onvermijdelijke chaos die reuzenbijeenkomsten altijd kenmerkte. Trako's vader, Turmo, was samen met Krach de Kraakster, Umo de Verpletteraar en een aantal andere trouwe volgelingen onmiddellijk naar het kasteel van de Laballes vertrokken om naar het lot van zijn zoon te informeren. Bertram de Breker, Schmacko de Verpletteraar en hun mannen vertrapten eerst een nabijgelegen berkenbos om hun frustratie te uiten, en herinnerden zich toen Mitschin, die, zoals alle dwergen, waarschijnlijk de schuldige was van alles.
Dat was het moment waarop de dwerg ontsnapte. Hij verdween in het struikgewas rondom de nederzetting van de reuzen en baande zich een weg door het eikenbos, niet wetend welke kant hij op moest. Hij kon geen hulp van zijn eigen volk verwachten. Een reus was verdwenen? Geweldig! Moge hetzelfde lot hen allen treffen!
Mitschin verschnaufte an einem Abhang und sah hinunter ins Tal. Dort stand etwas im Himmel, gleich hinter der Befestigungsanlage: eine Rauchsäule. Offenbar brannte es im Kloster der Schwestern der Unbefleckten Empfängnis. Mitschin glaubte nicht an Zufälle. Ob das wohl auch das Werk der Laballes war?
Hinter ihm raschelte es im Gebüsch. Mitschin griff sich einen herumliegenden Ast und machte sich für einen Kampf bereit, denn er war ein wehrhafter Zwerg. Aus dem Gesträuch rollte ihm eine goldene Kugel vor die Füße. Ihr folgte ein Fluch, ein Warnschrei: „Das ist meine, Finger weg!“ – und dann Claudine de Laballe, in höchst unhöfischem Zustand, mit zerrissenem härenen Gewand und Kletten im zerzausten Haar.
Mitschin kende Claudine. Niet persoonlijk, alleen als waarschuwing. Maar dat was genoeg. Als dwergmoeders stoute kinderen berispte, zeiden ze: "Wees gehoorzaam, anders pakt Laballe je!" Hij wist hoe "Laballe" eruitzag, want een afbeelding van haar hing in de schandpaal in het dwergendorp, als symbool voor haar. De dwergen hadden haar dolgraag in handen willen krijgen. Claudines vroegere, volkomen nutteloze bestaan aan het Laballe-hof had wel wat afleiding nodig gehad. Naast mechanische nachtegalen en gecastreerde Moren als persoonlijke bedienden, had ze ook dwergen aan het hof verzameld. Haar ruwe behandeling van hen vereiste een constante aanvoer.
Enerzijds vond Claudine het leuk om de kabouters als levende decoratie in de kasteeltuin te plaatsen, waar ze urenlang roerloos in de brandende zon moesten staan. Anderzijds genoot ze van dwergenparades. De kleine mannetjes moesten dan in speciaal ontworpen fantasiekostuums voor haar marcheren tot ze uitgeput waren.
Die Zwergenhäscher der Laballes waren unter Mitschins Volk gehasst und gefürchtet. Nun war ihre Auftraggeberin direkt vor Mitschin aus dem Nichts aufgetaucht. Und der hatte einen kapitalen Knüppel in der Hand, halb so lang wie er selbst – hochwertiges, belastbares, schädelknackendes Eichenholz, kein bisschen morsch. Die Gelegenheit war günstig, denn Claudine, nur an ihr Gold denkend, hatte sich dem Zwerg quasi zu Füßen geworfen, um die ihr entglittene Kugel zu sichern. Mitschin dachte voll Ingrimm an viele verschollene Familienangehörige und holte mit dem Ast aus.
