Een persoon komt naar Transsylvanië.

Nennen wir ihn mal: Hans-Jürgen.

Hij kijkt om zich heen.

Er fühlt sich dumm.

 

Was dat allemaal hier?

Met Duitse kleuren in hun vaandel.

Als hij meer wist, zou hij het kunnen zien.

Terwijl ze beiden voor hem staan:

 

Brukenthal, met hem de Duitser –

Zo slim, zo loyaal, en ook nog eens zo Duits.

Hij kijkt naar de Roemenen.

Hij beseft dan dat het er heel veel zijn.

 

Das tut ihm keinesfalls je weh,

Omdat hij uit de Spree komt.

Nicht vom Zibin, auch nicht vom Alt.

Het verleden laat hem nogal koud.

 

Hij luistert hier heel nonchalant.

De allerlaatste Duitse talen.

Maar luister: zelfs als ze dialectaal zijn,

Ze klinken zo huiselijk.

 

Ferne Heimat für Hans-Jürgen.

Hij voelt zich Transsylvanië

In tegenstelling tot de Saksen die in de zomer actief zijn

Niet als rendement, maar eerder als groei.

 

Naar een nieuwe, oude wereld.

En hij vraagt zich in stilte af:

Hätte ich hier ausgeharrt?

Als ik misschien begraven zou worden,

 

Ergens in het Donetsbekken,

Waar heerst er nu alleen nog maar terreur?

Klopt mijn vermoeden?

Zal ik dit alles recht doen?

 

Wat ooit was, wat ooit zou kunnen zijn.

Het bevindt zich zeker op aarde.

Dit is een heel bijzondere plek:

Sommige dingen zijn gebleven, maar veel is verdwenen.

 

Men kijkt vooruit en achteruit.

En vindt overal wel een stukje.

Dat zou waarschijnlijk de moeite waard zijn om te bewaren.

Of is het gewoon een overlast?

 

Es kommt drauf an, wen man dann fragt.

Hans-Jürgen doet dit onverschrokken.

Zo is hij in Transsylvanië terechtgekomen.

Sanatate, Glück, Hans-Jürgen!

Meer gedichten